Het was zondag 1 april eigenlijk iets te druk om in alle rust te kunnen genieten van de tentoonstelling in het Cobramuseum* in Amstelveen. Maar het was toch een buitengewone kans om een behoorlijk aantal werken van Paul Klee (1879 – 1940) in levende lijve te kunnen aanschouwen. En dat ook nog eens een keer in samenhang met de werken die door de leden van de Cobra zijn voortgebracht. Het museum legt thematisch de nadruk op de overeenkomst tussen Klee en Cobra, die te vinden is in hun gebruik en fascinatie voor de verbeelding van het kind. En die overeenkomst is meteen zichtbaar in met name het meer grafische werk van Klee. In de figuraties van beiden zijn de naïef, kinderlijk aandoende poppetjes, boompjes, dieren en vogels volop aanwezig. Maar er is toch ook wel een verschil dat met name zichtbaar wordt in de wat grotere schilderijen. Spontaan en rauw volgens de samenstellers, in mijn beleving geldt dat meer voor Cobra dan voor Klee. Of Klee spontaan tot zijn creaties kwam valt nog te bezien, maar rauw vind ik ze zeker niet. Dat is wel van toepassing op bijvoorbeeld Karel Appel “ik rotzooi maar wat aan”, Wolvenkamp, Brands of Lucebert. Karel Appel toont een ongekende rauwe weelde met dikke lagen verf, rake vegen, hard kleurgebruik en forse formaten. De emotioneel fysieke kracht is voelbaar. Op het voorbeeld, femme et enfant uit 1953 is de emotionele kracht voelbaar. Dat is niet het geval bij Klee. In het algemeen komt zijn werk op mij rustiger, behoedzamer over. Zijn kleurgebruik is zachter, haast impressionistisch lieflijk, zijn vormen minder schreeuwerig en zijn formaten vaak zeer bescheiden. Eén van zijn mooiste werken hier getoond, dame demon uit zijn latere periode geeft daar een mooi voorbeeld van. Hier wordt een synthese tot stand gebracht van veel van het voorgaande in zijn proces dat eigenlijk allerlei kanten op slingerde met evenzovele verschillende resultaten. Het is zijn minutieus zoeken naar kleurverhoudingen, lijnvoering en compositie dat hier tot een fraaie synergie komt.